Vrede en alle goeds!


Regel van Sint-Franciscus

voor de kluizenarijen

 

 

1       Wie als kluizenaars willen leven,

zijn met drie broeders,

of hoogstens met vier;

twee van hen zijn moeder.

Zij hebben twee zonen of minstens één.

2       De twee die moeder zijn,

leiden het leven van Martha

en de twee zonen leiden het leven van Maria.[1]

Zij hebben een beslo­ten ruimte,[2]

waarin ieder zijn plek heeft waarin hij bidt en slaapt.

3       En direct na zonsondergang

bidden zij altijd de completen van de dag;

en zij doen hun best de stilte te bewaren;

en zij bidden hun getijden;

en voor de metten staan zij op

en moeten eerst het koninkrijk van God

en zijn gerechtig­heid zoeken.[3] (vgl. Mt 6,33)

4       En zij bidden de priem op het gewone uur

en na de terts mogen zij de stilte verbreken

en kunnen zij spreken en naar hun moeders gaan.

5       En als zij dat willen,

kunnen zij als kleine armen een aalmoes vragen

omwille van de liefde van de Heer God.

6       En daarna bidden zij de sext en de noon;

en de vespers bidden zij op het gewone uur.

7       En in de besloten ruimte waarin zij verblijven,

mogen zij niemand binnenlaten

en daar mogen zij ook niet eten.

8       De broeders die moeder zijn,

doen er alles aan om ver te blijven van alle mensen;

en op gehoorzaamheid aan hun minister

schermen zij hun zonen af voor alle mensen,

zodat niemand met hen kan spreken.

9       En de zonen mogen alleen spreken met hun moeders

en met hun minister en custos,

wanneer die hen met de zegen van de Heer God wil bezoeken.

10     De zonen nemen nu en dan bij toerbeurt

de taak van moeder op zich

zoals zij dat naar omstandigheden willen regelen.

Al het bovengenoemde trachten zij

zorgvuldig en met toewijding te onderhouden.

 

Voetnoten:

[1] De twee zussen Maria en Martha, bekend uit Lc 10,38-42, sym­boliseren de contemplatieve en actieve levenswijze. Zoals uit het vervolg blijkt, moeten Francisucs broeders deze rollen om beurten vervul­len.


[2] Bij de cellula waarvan hier sprake is, moet niet gedacht worden aan een veilig beschutte kloostercel, maar aan eenvoudige stenen of lemen hutten of grotten die verspreid over een omheind terrein liggen en vaak een kapel als middelpunt hebben. Deze cellen zijn nog te zien op de Carceri bij Assisi, op Monteluco bij Spoleto, in het Sacro Speco di Sant=Urbano e.d.


[3] Deze verwijzing naar de Bergrede maakt duidelijk dat het doel van de kluizenarijen niet het ontvluchten van de drukke wereld is, maar het mystieke verlangen naar God.